Kenmerken verzorgend leiderschap in de CanMEDS-rollen

Welke kenmerken heeft een verzorgend leider? En passen deze bij de beschrijving van de CanMEDS-rollen? Je zou tenslotte als verzorgende in elke CanMEDS-rol een ‘leider’ kunnen zijn. In ons praktijkonderzoek naar verzorgend leiderschap maakten we een eerste vergelijking.

Kenmerken verzorgend leiderschap in de CanMEDS-rollen

Zeven CanMEDS-rollen

Hieronder lees je hoe je vanuit elke CanMEDS-rol verzorgend leiderschap kan tonen. We laten dat steeds zien met een praktijkvoorbeeld uit het VKI-onderzoek naar verzorgend leiderschap. Wil je eerst meer lezen over de kenmerken van verzorgend leiderschap? Bekijk dan de resultaten van ons praktijkonderzoek. [link naar kenmerken verzorgend leiderschap of naar het project]

1.De zorgverlener 

In de rol van ‘zorgverlener’ onderzoek je als verzorgend leider op basis van de gestelde indicatie welke zorg nodig is. Dit doe je samen met de cliënt. Daarnaast neem je proactief de leiding om de bredere zorg (buiten je eigen verantwoordelijkheid) ter discussie te stellen en deze in het belang van de cliënt te verbeteren.

Praktijkcasus ‘Minder naar het ziekenhuis’: 

“Ik werk voor een cliënt met heel weinig energie. Ze krijgt intensieve zorg van ons bij haar thuis, maar ze moet ook veel naar het ziekenhuis. Naar een neuroloog, revalidatiearts, oogarts, uroloog. Vaak gaat net dat ene uurtje energie per dag op aan ziekenhuisbezoeken. 

Mijn bellen rinkelden. Wat zijn we aan het doen? Wat levert het op? Samen met mijn team en de cliënt hebben we besproken: ‘Hoe kunnen we de tijd, die voor u zo kostbaar is, goed besteden?’ Nu gebeuren er alleen dingen die deze mevrouw heel belangrijk vindt. We bouwen sommige medicatie af en ze gaat minder naar het ziekenhuis. Dat geeft haar rust en dat is zorg. 

Vroeger zou ik afwachten wat de verpleegkundige zou doen. Nu ga ik naar de verpleegkundige toe met de vraag: zitten we in de goede richting?”

Tip: Heb het lef om in actie te komen als je denkt dat de zorg beter kan.

 

2. De communicator 

Als verzorgend leider ken je jouw cliënt goed en heb je oog voor het ziekteproces en welbevinden. Je weet wanneer jij je – in het belang van de cliënt en de omgeving – minder volgend en meer sturend moet opstellen. Je werkt verbindend, in aansluiting op de wensen en mogelijkheden.

Praktijkcasus ‘Wél naar dat feestje’: 

“Het bedrijf van haar zoon bestond zoveel jaar, dus er was feest. De avond van tevoren zei mevrouw al: ‘Ik ga niet. Ik voel me niet lekker’. Ze is door haar dementie behoorlijk eigenwijs, dus haar man kreeg haar de volgende ochtend niet in beweging. 

Ik dacht: ze kan gewoon mee. Dus ik kwam op haar slaapkamer en zei: ‘Ik weet dat je je niet helemaal lekker voelt, maar we gaan lekker douchen en aankleden, en dan ga je naar je zoon toe. Dus zat ze een tijdje later aangekleed op de stoel in de keuken haar boterham te eten en toen was het over. 

Ze zijn gewoon gezellig gegaan. En als je dan de volgende dag haar verhaal hoort. Dat het zo geweldig was. Dat geeft mij dan toch voldoening dat ik op een nette manier druk uitoefen.”

Tip: Ken je cliënt en handel in het belang van zijn of haar welzijn.

 

3. De samenwerkingspartner 

De verzorgende met leiderschap geeft alle betrokkenen de juiste informatie en werkt samen, Ze zet een stap extra en gaat actief netwerken om ervoor te zorgen dat vraagstukken worden opgepakt. 

Praktijkcasus ‘Hoelang mag zo’n katheter blijven zitten?’

“We hebben een cliënt, een man van negentig jaar, met blaaskanker. Elke keer als de wijkverpleegkundige de katheter wisselt, heeft hij bloedingen. Zijn vrouw en hij werden daar heel onrustig en angstig van. 

Het beleid is: elke vier weken de katheter vervangen, ook al loopt die nog goed. Maar het was zo belastend voor die mensen, dus heb ik de leverancier gebeld met de vraag: Hoe zit dat nu? Hoelang mag zo’n katheter blijven zitten? Dat blijkt drie maanden te zijn. 

Dus nu wordt die tussentijds alleen op verzoek gewisseld of wanneer die verstopt zit. We houden goed de urineproductie bij, kijken goed hoe de urine eruitziet en vervangen dus maar eens per drie maanden de katheter. Dat levert de cliënt heel veel rust op, en mij een goed gevoel.” 

Tip: Wees je bewust van jouw positie en deel je kennis, want je bent een belangrijke schakel in de zorgketen.

 

4. De reflectieve evidence-based-professional 

Als verzorgend leider werk je aan betere zorg en deskundigheid. Je hebt respect voor het accepteren en verwerken van de ziekte of beperking, maar kiest expliciet voor de best mogelijke zorg (voor alle partijen). 

Praktijkcasus ‘Toch een tillift’

“Een ALS-cliënt wilde de regie in eigen hand houden. Ze wilde per se staand van de ene stoel naar de andere, maar de spieruitval werd steeds groter. Ik moest echt ingrijpen en zeggen: ‘Wij doen dat niet meer. Als je door ons wordt geholpen, gebruiken we de tillift.’ 

Voor mevrouw was het een grote drempel. Voor haar betekende het toch weer een stap terug. Maar wij willen ook op een goede manier zorg kunnen verlenen. Je kunt een tijdje meegaan met de cliëntwens, maar op een gegeven moment houdt het op. Het is niet goed voor onze rug en niet goed voor de zorg. Ze heeft na de ingebruikname van de tillift gezegd: ‘Eigenlijk hadden we dit eerder moeten doen.’”

Tip: Sta op voor de kwaliteit van jouw vak!

 

5. De gezondheidsbevorderaar 

De verzorgende die leiderschap toont, bevordert gezond gedrag, geeft informatie, houdt het naleven van de afspraken in de gaten en betrekt anderen daarbij. Ze stuurt hier ook op aan in haar team.

Praktijkcasus ‘Soms moet je streng zijn’: 

“Een van onze bewoners, met een hoge dwarslaesie, maakt alles groot en medisch. Vaak is er niks aan de hand, maar ze beeldt zich veel in. Onze psychologen hebben daarom aangeraden: je bevindingen deel je niet met mevrouw, maar alleen met collega’s, anders wordt ze heel onrustig. 

We moeten als verzorgenden naar haar luisteren, maar ook grenzen aangeven en bijvoorbeeld zeggen: ‘U hebt nu al vier keer de mond gespoeld, het is genoeg zo’. Sommige collega’s begrijpen de casus, maar er zijn ook collega’s die meegaan in het dwangmatige gedrag. Dan komt de arts er weer bij of de psycholoog… Ik vind het soms moeilijk om in mijn team uit te dragen: deze aanpak is belangrijk voor deze cliënt. Maar dan blijft het wel draaglijk. Mevrouw wordt heel onrustig als we haar niet begrenzen.”

Tip: Soms moet je loslaten, soms moet je leiden voor een beter welbevinden van je cliënt.

 

6. De organisator 

Dat je als verzorgende positie inneemt bij zorggerelateerde zaken, hoort bij het vakmanschap. Dat jij ook kan opstaan om jouw vak en positie in de organisatie te verstevigen, is nog niet iedereen gewend. Als verzorgend leider kom je op voor jouw vak en vind je het vanzelfsprekend dat de organisatie jou daarin serieus neemt.

Praktijkcasus ‘Hoezo, woonbegeleider?’

“Vorig jaar kregen alle verzorgenden een brief thuisgestuurd. Alle verzorgenden IG worden woonbegeleider. Er zat een functiebeschrijving en een takenlijst bij. Mijn collega’s en ik waren verontwaardigd en woest! Ik werk helemaal niet op de groep, ik ben wijkverzorgende. Daarvoor ben ik ook opgeleid. 

Wij kwamen als verzorgenden in opstand, maar de organisatie vond dat uniformiteit in functies zwaarder woog. Wij hebben toen ons recht op bezwaar ingezet en de vakbond geraadpleegd. We hebben niet op alle punten gelijk gekregen, maar wel dat we niet aan de voorkant van het veranderproces zijn meegenomen.

De gebiedsdirecteur was enorm trots om ons zo strijdbaar te zien. De organisatie heeft geen baat bij alleen maar volgers.”

Tip: Durf af wijken van de heersende norm als dit in het belang is voor jouw vak(uitoefening).

 

7. De professional en kwaliteitsbevorderaar 

Als verzorgend leider leg je de lat hoog, maar erken je tegelijkertijd dat niet iedereen hetzelfde is, of weet hoe het moet. Je ziet wat er nodig is om samen de zorg voor de cliënt te verbeteren.

Praktijkcasus ‘Van elkaar leren’: 

“Ik probeer altijd collega’s te helpen. Mijn passie is bijvoorbeeld palliatieve zorg. Een collega vindt dat spannend, en heeft daar nog geen feeling voor, maar ik doe dat gewoon liefdevol en ik voel me daar veilig bij. 

We zorgen nu dat ik aan haar gekoppeld ben. Ik ben dan eerste aanspreekpunt en mijn collega tweede. Ik begeleid haar en het gaat steeds beter. Ze voelt zich meer op haar gemak en durft wat meer. Zij is juist weer goed in de dementiezorg. Zo gebruiken we elkaars kwaliteiten. Dat is ook nodig, want je wilt goede zorg leveren en cliënten voelen het als je onzeker bent.”

Tip: Stimuleer jezelf én anderen om het beste uit zichzelf te halen.

 

Meer lezen over het herkennen en stimuleren van verzorgend leiderschap?

Deel met een collega