Twee generaties, één doel: de kunst van samenwerken
Hoe denken verschillende generaties over samenwerken in de zorg? We legden drie stellingen voor aan Britt (20) en Désirée (64), collega’s in het thuiszorgteam van De Zellingen in Nieuwekerk. Britt is vorig jaar begonnen als leerling en zit in haar derde jaar van de hbo-opleiding Verpleegkunde. Désirée gaat over een paar jaar met pensioen.
Stelling 1: wie vandaag in de zorg start, moet meteen kunnen dealen met werkdruk.
Britt: ‘Ons team is niet zo groot, dus ik merk het gelijk als een collega uitvalt. Ik krijg die dag dan een extra cliënt. Prima, ik vind het niet erg om wat extra te werken. Wat ik nog wél lastig vind, is de verwachting bij cliënten managen. De overgenomen cliënt krijgt die dag waarschijnlijk wat later hulp dan normaal. Sommigen vinden dat niet prettig. Ik voel dan wel de druk om zo snel mogelijk naar die persoon toe te gaan.’
Désirée: ‘Die druk voelde ik vroeger ook, Britt. Misschien helpt het om die client alvast een berichtje te sturen dat de hulp vandaag wat later komt? Werkdruk ontstaat meestal bij dit soort onvoorspelbare gebeurtenissen. Een collega die ziek is. Of een cliënt die meer hulp nodig blijkt te hebben dan je dacht, waardoor je planning in de knel komt. Het voordeel van mijn leeftijd is dat je leert relativeren. Dit soort dingen gebeuren nu eenmaal. We lossen het op en gaan gewoon weer verder. Maar het is wel belangrijk om grenzen te stellen voor jezelf. Soms heb je gewoon geen tijd om een cliënt van een collega over te nemen. Al betrap ik mezelf toch ook vaak op de gedachte: hoe kan ik tijd vrijmaken?’
Britt: ‘Wat je zegt over je grenzen durven aangeven, vind ik heel waardevol. Ik sta graag voor mijn collega’s klaar en vind het belangrijk om een teamspeler te zijn. Soms voel ik me dan bezwaard om ‘nee’ te zeggen, ook als ik eigenlijk weet dat het te veel is. Die balans vinden is soms nog lastig.’
Stelling 2: de nieuwe generatie zorgverleners is assertiever dan de vorige generaties.
Britt: ‘Vanuit de opleiding leren we: zet jezelf op nummer één, want we willen dat je niet uitvalt. Durf nee te zeggen. Geef het bijvoorbeeld aan als je je nog niet bekwaam voelt voor een bepaalde handeling. Mijn generatie stelt meer eisen aan een werk-privébalans waardoor we misschien mondiger zijn. Maar ik zie het als goed voor mezelf zorgen.’
Désirée: ‘Heel herkenbaar! Ik merk dat jongeren van nu makkelijker voor zichzelf kiezen. Hun privéleven is heel belangrijk. Iemand die bij ons gedetacheerd was, belde een keer ’s morgens op: “Ik kan niet komen, want mijn ouders kunnen niet oppassen.” Ik heb dan wel even nodig om m’n oordeel bij te stellen. Het is misschien wel heel verstandig wat zij doet. Beter dan langzaam in een burn-out raken, omdat de baas te veel van je vraagt. Rationeel snap ik de keuze, maar emotioneel botst het met mijn eigen werkethiek: zorg dat je er gewoon bent. Toen ik kleine kinderen had, werkte ik niet. Dat kwam daarna. Ik heb dit dilemma dus ook nooit gehad.’
Britt: ‘Ergens begrijp ik dat oordeel ook zeker, vooral in zo’n situatie. Maar tegenwoordig is het lastiger om ervoor te kiezen niét te werken. Uiteindelijk willen we denk ik allemaal hetzelfde: goede zorg leveren zonder onszelf te verliezen. Misschien kunnen we van elkaar leren. Wij van jullie toewijding en jullie van onze aandacht voor balans.’
Stelling 3: minder hiërarchie komt de zorg ten goede.
Britt: ‘Ik vind het heel belangrijk om situaties van verschillende kanten te bekijken en open te staan voor elkaars inzichten. En ik mag dan wel hbo Verpleegkunde doen, mijn collega’s hebben veel meer ervaring. Daar leer ik superveel van.’
Désirée: ‘Dat ben ik met je eens. Als onze zorgteammanager alleen maar zou zeggen: “Zo is het, en zo gaat het gebeuren”, krijg je een eenzijdige visie op diagnoses en behandelingen. Door te overleggen en te luisteren naar elkaar kom je tot betere inzichten én betere zorg. Wat ik wel jammer vind, is dat sommige taken nu bij zorgcollega’s met andere verantwoordelijkheden liggen. Vroeger maakte ik zelf het zorgplan, voerde ik de intakegesprekken en bepaalde ik de frequentie van de zorg. Nu voer ik vooral uit wat in het zorgplan staat. Dat voelt soms als inleveren. Tegelijkertijd mag ik nog genoeg inbrengen, hoor!’